We zijn halfweg de zomervakantie. Traditioneel betekent de zomervakantie een bezoek aan Waterstones om mijn jaarvoorraad, maar zeker ook vakantievoorraad, boeken te kopen. Dit jaar bleef het vooralsnog beperkt tot De Standaard met de aankoop van een reeks kinderboeken. Eén van de boeken is ‘Jij en ik en alle andere kinderen’. Het is een verzameling verhalen en gedichten van Bart Moeyaert met illustraties van onder andere Gerda Dendooven.
Het is niet het eerste boek van Moeyaert in de kast en wellicht ook niet het laatste. ‘Duet Met Valse Noten’ was mogelijk het eerste boek dat ik van de auteur kocht en als kind wel tien keer las.

In diezelfde periode leerde ik ook schaken. Tot vandaag de meest confronterende sport die er is wegens het ontbreken van elke vorm van willekeur of externe factor. Verliezen in het spel betekent simpelweg dat je iets over het hoofd zag. Een scenario dat de tegenstander plande, uitvoerde en waardoor hij uiteindelijk wint. De regels zijn eenvoudig. Het doel is dat evenzeer. Je wint het spel wanneer de koning van de tegenstander geen kant meer op kan. Schaakmat.

De regels kan je makkelijk aanleren. Het spel echt leren beheersen gebeurt op een andere manier. Wie The Queen’s Gambit zag herinnert zich de uren die Beth Harmon spendeerde aan het studeren van openingen en analyseren van eigen en andere gespeelde spellen. ‘Waar zag ik iets over het hoofd?’, ‘Waar maakte ik een fout?’, …
Zo leerde ik ook schaken. Je leert de eerste 10 zetten van een bepaalde combinatie, bedenkt een plan en bouwt verder. Bij gebrek aan tegenstanders in die tijd, buiten voetballen was de andere optie, speelde ik vaak tegen mezelf. Op den duur kende ik mezelf als tegenstander vrij goed, al wist ik soms te verrassen. Het voordeel van die techniek is dat je ook het plan van de tegenstander kent en dus verplicht bent steeds nieuwe scenario’s te bedenken en aan te passen.

Bart Moeyaert beschrijft dat proces van jezelf observeren als introspectie en een ‘state of motion’ in een TedxFlanders talk van enkele jaren terug. Introspectie is niet zozeer het nadenken op zich. Denken om te denken is een staat van zijn. Introspectie is een gesprek met jezelf over jezelf en is een constante evolutie van jezelf door contrasten op te zoeken en met jezelf te observeren in een bepaalde situatie. Hij ondersteunt zijn betoog met het verhaal van de boeiende kunstenaar Alighiero e Boetti die in zijn naam graag het woord ‘en’ zag om te onderstrepen dat hij de drukte van de stad opzoekt maar én de rust opzoekt om de drukte te verwerken. Het opzoeken en willen bevatten van de dualiteit zijn in ieder geval herkenbaar. Het is makkelijk om één bepaalde richting te kiezen. Je bent echter in staat om meer te begrijpen en andere standpunten te aanvaarden wanneer je beide kanten opzoekt. Je bent, zoals bij schaken, voorbereid op andere te scenario’s. Je bent een rijker mens, een rijkere partner, een rijkere professional of rijkere ouder.

Hij citeert een quote van de kunstenaar uit een notitieblok en heeft het over het belang van taal in het proces van introspectie. Iets uitspreken of neerschrijven kan helpen om voor jezelf te ontdekken hoe je dacht of denkt. Jezelf te observeren betekent letterlijk naar jezelf kijken of luisteren.
Het is een techniek die vandaag vaak toegepast en aangeraden wordt in het proces van zelfontwikkeling. Hoewel, zoals Moeyaert ook terecht refereert naar Wittgenstein ‘Language is poor and fails to be exact’, taal niet voor iedereen de beste methode is naar zichzelf te kijken. Wat mij betreft biedt elk creatief proces een opportuniteit tot introspectie. Voor wie is het bedoeld? Welk verhaal wil je ermee vertellen? Zodra je moeite doet om wat je maakt ook nadien te bekijken op een objectieve manier verander je jezelf.

Voor al wie nog op vakantie gaat en de obligate ‘summer playlist’ maakt of -net als vorig jaar, de foto aan het zwembad maakt; het is een opportuniteit om kort na denken en als een ander mens uit de zomer te komen.